Posts tonen met het label mad science. Alle posts tonen
Posts tonen met het label mad science. Alle posts tonen

donderdag 6 november 2014

Zijn wij magnetisch?

Je weet vast wel hoe een magneet werkt. Iedere magneet heeft een noordpool en een zuidpool en die trekken elkaar aan. Als je twee magneten hebt, kun je testen dat de noordpolen elkaar wegduwen en de zuidpolen duwen elkaar ook weg. Het heeft allemaal te maken met de elektrische lading van de deeltjes in de magneet.

De atomen in een stof hebben een elektrische lading. In de meeste stoffen zijn die elektrische ladingen alle kanten op gericht, daarom merk je er niks van. In sommige stoffen kan die lading zich verplaatsen van atoom naar atoom. Dat gebeurt binnenin een magneet, maar ook daarbuiten! Buiten een magneet kun je zien hoe de lading beweegt door een papiertje over de magneet te leggen en er ijzervijlsel op te strooien. De kleine ijzerkorreltjes blijven dan hangen in de veldlijnen en die zie je dan op het papier.

De bekendste magneten zijn van ijzer of een ander metaal. In een ziekenhuis kunnen ze met supersterke magneten zelfs in je lichaam kijken! Het apparaat waarmee ze dat doen, is een MRI-apparaat. Die werkt doordat je in je lichaam ook atomen hebt die magnetisch zijn. Niet alleen in jouw lichaam, maar zelfs in een tomaat.

Met een experiment kun je testen hoe magnetisch een tomaat is!

Dit heb je nodig:
- satéprikker
- 2 cherrytomaatjes
- spijker
- plankje
- hamer
- sterke magneet

Dit moet je doen:
Stap 1: Vraag een volwassene om de spijker stevig in het plankje te slaan, maar niet te diep.
Stap 2: Prik de tomaatje aan beide kanten van de satéprikker en balanceer ze op de spijker
Stap 3: Breng de magneet zo dicht mogelijk bij één van de tomaten zonder deze aan te raken. Als je magneet sterk genoeg is, zal de tomaat er vandaan bewegen!


Als je op de afbeelding hierboven klikt, zie je in een filmpje hoe het werkt. De onderzoeker heeft voor zijn experiment een stokje gebalanceerd op een naald in een oud filmkokertje, maar het zou ook moeten werken met een spijker in een plankje...

Lukt het jou? Stuur ons een filmpje van je experiment (info@mad-science.nl) en maak kans op een te gekke Mad Science goodybag!

donderdag 9 oktober 2014

Hoe ruikt de maan?



Met dit experiment kun je uitvinden hoe de maan ruikt! De eerste astronauten op de maan namen onder hun maanschoenen stof mee in het ruimteschip. Ze zeiden dat het een beetje ruikt naar buskruit...


De geur van buskruit komt vrij als de stoffen erin reageren met zuurstof. Buskruit zit ook in rotjes en klappertjes van speelgoedpistolen en het ontploft als het met zuustof reageert. De maan is gelukkig niet zo explosief. De mineralen op de maan komen nooit in aanraking met zuurstof, omdat de maan geen atmosfeer heeft. Er is geen lucht, dus ook geen zuurstof. Pas in de ruimtecapsule kwam het stof in aanraking met zuurstof en rook de bemanning de typische lucht.

Hoe kun je zelf de maan ruiken? Wetenschappers hebben een theorie dat de aarde heel lang geleden heeft gebotst met een andere planeet, die ze Theia noemen. Bij die botsing is Theia helemaal vernietigd en de aarde smolt helemaal. Door de klap vloog er een enorme druppel gesmolten aarde weg en dat is later onze maan geworden. De maan is gemaakt van hetzelfde materiaal als onze aardkorst, dus kunnen we de geur van de maan gewoon uit de grond halen!

Dit heb je nodig:
- kiezelstenen
- oude lap
- hamer
- stevige ondergrond
- je neus

Dit moet je doen:
Stap 1: Leg de kiezelsteen op een stoeptegel of ander stevig oppervlak en leg er de lap overheen. Druk de lap een beetje aan, zodat je goed kunt zien waar de kiezelsteen ligt. De lap zorgt ervoor dat er geen stukken kunnen wegspatten bij stap 2.

Stap 2: Sla met de hamer hard genoeg op de kiezelsteen om hem in stukken te breken! 

Stap 3: Ruik aan de kiezelsteen

Dit gebeurt er:
De kiezelsteen is gemaakt van hetzelfde als de aardkorst en de maan. De binnenkant is niet in aanraking gekomen met zuurstof, dat gebeurt pas als je de kiezelsteen kapot maakt. Als je er dan snel aan ruikt, ruikt ie hetzelfde als de maan!

maandag 22 september 2014

Hoe drinkt een bloem?



Water stroomt naar het laagste punt. Toch? Rivieren stromen niet bergop, maar bergafwaarts. Als je je een gieter schuin houdt, floept het water niet omhoog. Hoe komt het water dan van de grond in een plant? Hoe stroomt het water omhoog in een bloem of in een boom?

Water is bijzonder omdat veel stoffen erin oplossen. Een oplossing is een mengsel van een oplosmiddel zoals water, met een andere stof, zoals suiker. In de grond zitten veel voedingsstoffen voor planten. Het is dus belangrijk dat die stoffen niet alleen in de wortels, maar ook bovenin de plant kunnen komen.

De meeste dieren hebben een hart, dat bloed rondpompt. Het bloed is eigenlijk water, met allerlei stoffen erin. Als je hart stopt, stroomt je bloed niet meer. De voedingsstoffen komen dan niet meer overal in je lichaam en dat zou niet goed zijn!
Planten hebben geen hart dat sap rondpompt. Dus we gaan onderzoeken hoe de stoffen in het water toch helemaal van de wortels in de bloem kunnen komen.

Voor je onderzoek bedenk je een hypothese. Een hypothese is een wetenschappelijk idee, dat je gaat testen met een experiment. Voor dit onderzoek stellen we twee hypotheses:
1. Het water wordt door het steeltje omhoog geduwd
2. Het water verdampt in de bloem, waardoor het omhoog gezogen wordt

1.2.

Dit heb je nodig:
  • drie witte bloemen
  • drie drinkglazen
  • schaar
  • kleurstof
  • water
Dit moet je doen:
Stap 1:
Doe in alle glazen evenveel water en evenveel druppels kleurstof. Knip de bloemsteeltjes schuin af, zodat ze alle drie even lang zijn en zet in ieder glas een bloem.

Stap 2:
Om te testen of het steeltje het water omhoog duwt, knip je de bloem eraf. Zet het glas met het steeltje op een veilige plek.

Stap 3:
Om te testen of het water door verdamping omhoog gaat, zet je één glas op een warme plek. Bijvoorbeeld voor het raam. Het derde glas zet je op een donkere plek. Bijvoorbeeld in een kast.

Stap 4:
Kijk een paar keer per dag of je al kleurstof in de bloem of bovenop het steeltje ziet verschijnen. Zie je kleurstof in de bloem op de warme plek, maar niet in de bloem op de koude plek? Dan betekent dat dat het water omhoog gezogen wordt door verdamping. Water verdampt namelijk bijna niet als het koud is en daarom groeien planten niet of heel langzaam in de winter. Zie je kleurstof bovenop het steeltje? Dan is er een kracht die het water omhoog duwt in de kleine kanaaltjes van de steel.

We horen graag van je hoe jouw experiment is gegaan. Stuur ons je foto's en/of je verslag om kans te maken op een Mad Science goodybag!

maandag 19 augustus 2013

Experiment: Gedachtenlezen!

Wetenschap gaat over alles wat je wil weten. Het is de kunst om een experiment te verzinnen dat precies laat zien hoe iets werkt of hoe iets in elkaar zit. Dat is vooral moeilijk als je mensen bestudeert, want die kun je niet zomaar uit elkaar halen! Als je hun gedachten bestudeert, zoals een psycholoog, kun je niet in hun hersenen kijken. Toch hebben wetenschappers een manier bedacht om aan je hersengolven te zien aan welke letter je denkt. Ze kunnen nog geen dromen op een groot scherm laten zien, maar een letter is ook al heel bijzonder!

Met het volgende experiment kun je je klasgenoten testen. Het kan ook met een groepje vrienden of met familie.

Dit heb je nodig:

  • proefpersonen
  • blaadjes en pennen of potloden voor je proefpersonen
  • een briefje voor jezelf waarop je schrijft: roos, rood, hamer.
Dit moet je doen:
Vraag je proefpersonen om een voorbeeld op te schrijven van de volgende drie dingen:
- een bloem
- een kleur
- een stuk gereedschap

Er is een hele grote kans dat ze het volgende hebben opgeschreven:
- ROOS
- ROOD
- HAMER
Als jij dat vantevoren op een briefje schrijft en dan vertelt dat je kunt voorspellen wat zij denken, zullen ze heel verbaasd zijn! 
zo herkenbaar, dat het zelfs op wapenschilden voorkomt!


Zo werkt het:
Je kunt niet gedachtenlezen, maar met wetenschap kun je er wel achter komen wat de meeste mensen denken als je een woord noemt. In je leven leer je dat sommige dingen vaak gebeuren, of je merkt dat sommige woorden altijd bij elkaar passen. Je hersenen leren dan een patroon. Omdat we allemaal in (bijna) dezelfde wereld leven, zijn een heleboel van die patronen ook hetzelfde. Als je die patronen kent, weet je meer over anderen en over jezelf!

maandag 12 augustus 2013

Experiment: Maak zelf drijfzand!

Ken je drijfzand? Dat is een gekke naam voor iets waarin je wegzinkt, toch?

Drijfzand is eigenlijk heel nat zand. Omdat er veel water tussen de zandkorreltjes zit, kunnen die korreltjes vrij bewegen. Het lijkt dan zand, maar als je erop gaat staan, gaan de korreltjes opzij en zakt je voet erin weg! Gelukkig kun je er niet helemaal in wegzinken, omdat je dichtheid te laag is. Dichtheid is je gewicht gedeeld door je grootte. Dingen met een grote dichtheid zinken in vloeistoffen met een lage dichtheid.
Een mens kan drijven in water, omdat water een grotere dichtheid heeft. Een emmer water weegt iets meer dan een emmer mens... Een emmer water met zand weegt nog meer, dus je zult nooit helemaal zinken. Zo zie je maar dat de naam 'drijfzand' toch klopt!

Je kunt geen drijfzand maken van alle soorten zand. De meeste soorten maken gewoon modder. Daarom gaan wij iets anders gebruiken: maïszetmeel.

Dit heb je nodig:

  • een kopje maïszetmeel (maizena)
  • een half kopje water
  • een bak om in te mengen
  • een lepel
Dit moet je doen:
Meng het maïszetmeel met het water in de bak.

Hmmm... dat was wel heel simpel. Gelukkig kun je allerlei experimenten doen met je drijfzand! De volgende dingen kun je testen:
  1. Is er een verschil tussen hard roeren en zacht roeren?
  2. Spettert het als je erop slaat met de lepel?
  3. Wat gebeurt er als je er iets in laat vallen?
Zo werkt het:
Je hebt een niet-Newtoniaanse vloeistof gemaakt! Dat is een mengsel dat zich niet gedraagt zoals bijvoorbeeld water. De korreltjes zetmeel zijn verdeeld over het water, maar als je roert of erop drukt, botsen de deeltjes tegen elkaar en lijkt het keihard te worden. Je zou er zelfs overheen kunnen lopen! 
Zolang je er hard genoeg op drukt, kun je niet zinken. Als je hard roert, krijg je dus klonten. Maar als je zachtjes roert, lijkt het gewoon een vloeistof. Als je erop slaat of er iets in laat vallen, zal je mengsel door de druk hard worden en niet spetteren. Als je de lepel dan even laat rusten, zal hij toch langzaam zinken.
met schone voeten!

Extra:
Heb je een oude luidspreker? Leg dan plastic over de kegel en vul hem met je mengsel. Als je er dan muziek door speelt, laten de geluidsgolven je drijfzand dansen en springen!

dinsdag 30 juli 2013

Bouw je eigen weerstation!

Zo schijnt de zon en zo regent het. Soms lijkt het weer niet te voorspellen.
Heb jij een telefoon of computer waarop je kunt zien wat voor weer het wordt? Weet je ook hoe weer-deskundigen het weer kunnen voorspellen?

Een weerdeskundige is een meteoroloog. Die kijkt onder andere naar de luchtdruk, windrichting en temperatuur om te voorspellen wat voor weer het wordt. Om de temperatuur te meten, heb je een thermometer nodig en voor de luchtdruk een barometer. Hieronder zie je hoe je die zelf kunt bouwen!
Belgisch weerstation...
Het weerstation hierboven is natuurlijk een grapje, maar met eenvoudige materialen kun je zelf een thermometer maken.

Dit heb je nodig:

  • flesje (hoe kleiner, hoe beter) met dop
  • smal rietje
  • een volwassene die een gaatje in de dop kan maken
  • water
  • kleurstof
Dit moet je doen:
Stap 1: Zet je volwassen assistent aan het werk om een gaatje in de dop te maken. Het gaatje moet klein genoeg zijn dat het rietje erin klem zit.
Stap 2: Vul je flesje bijna helemaal met water en doe er een paar druppels kleurstof bij.
Stap 3: Steek het rietje door de dop, maar laat een flink stuk boven de fles uitsteken. Het rietje moet wel in het water zitten.
Als het rietje te klein is voor het gaatje, kun je een beetje klei (of kauwgum) gebruiken om het gaatje helemaal dicht te maken.
Stap 4: Je thermometer is nu klaar. Zet hem in de huiskamer en let op hoe hoog het water in het rietje stijgt. Probeer dit ook buiten in de zon!

Zo werkt het:
In thermometers gaat de vloeistof omhoog als het warmer wordt. Dat komt omdat de moleculen meer energie krijgen van de warmte en daardoor meer ruimte nodig hebben. Het water in jouw thermometer doet dat ook. Omdat het water uit de kraan koud is, wordt het warmer in de huiskamer en zal het stijgen in het rietje. In de zon stijgt het nog verder!

Extra:
Je kunt een stukje papier achter je thermometer plakken, waarop je bijhoudt welke temperatuur het is.

Een barometer (druk-meter) is ietsje moeilijker te maken, maar ook met eenvoudige materialen.

Dit heb je nodig:
  • drinkglas
  • plankje
  • elastiek
  • stift
  • lijm of plakband
  • schaar
  • stuk stevig karton
  • rietje
Dit moet je doen:
Stap 1: Knip het tuitje van de ballon en span hem strak over de opening van het glas. Doe het elastiek er strak omheen, zodat de ballon goed vast zit.
Stap 2: Plak het rietje op de ballon met lijm of plakband. Dat is de wijzer van je drukmeter.
Stap 3: Zet het glas met de ballon en het rietje op het plankje en maak het stuk karton vast aan de plank, zodat het rechtop staat. Zorg dat het rietje langs het karton wijst.
Stap 4: Je barometer is nu af! Met de stift zet je iedere dag streepjes op het karton waar het rietje wijst om aan te geven hoe hoog de druk is. Zo kun je precies bijhouden wanneer de druk stijgt of daalt.

Zo werkt het:
Op het moment dat je de ballon over het glas trekt, is de druk buiten het glas hetzelfde als binnen het glas. Als buiten de luchtdruk lager wordt, duwen de luchtmoleculen in het glas harder tegen de ballon en als de ballon bol gaat staan, wijst het rietje naar beneden. Als de luchtdruk hoger wordt, duwen de luchtmoleculen vanaf de buitenkant harder tegen de ballon en wordt deze ingedeukt. Het rietje zal dan omhoog wijzen.

woensdag 24 juli 2013

Experiment: drinken met ijsklontjes

Het is warm! Het is zelfs zo warm dat we het een hittegolf noemen. Dat betekent dat de temperatuur minstens vijf dagen hoger is dan 25°C en minstens drie dagen achter elkaar hoger dan 30°C.

Om je drinken lekker koud te maken, kun je er ijsklontjes in doen. Maar die ijsklontjes drijven! Hoe wordt je drinken dan kouder aan de onderkant? Dat gaan we testen.

Dit heb je nodig:

  • doorzichtige beker of glas
  • water
  • plantaardige olie
  • ijsklontjes
Dit moet je doen:
Stap 1: Doe een laag olie in het glas van ongeveer twee centimeter dik. Vul dan het glas aan met water, maar niet helemaal tot de rand!
Stap 2: Observeer wat er gebeurt met de olie en het water. Blijft de olie op de bodem?
Stap 3: Doe de ijsklontjes erbij en wacht tot ze smelten. Blijf goed kijken wat er gebeurt, het is de moeite waard!
afbeelding via SteveSpanglerScience.com

Dit gebeurt er:
De olie blijft niet op de bodem, maar drijft bovenop het water. Olie heeft een kleinere dichtheid dan water. Dat betekent dat één lepel olie lichter is dan één lepel water. Olie en water mengen ook niet en daarom vormen ze laagjes op elkaar. De ijsklontjes zijn gemaakt van bevroren water, maar toch blijven ze drijven op olie. IJs is een soort kristal. In een kristal zitten de moleculen allemaal op dezelfde manier aan elkaar vast en dan hebben ze meer ruimte nodig dan in een vloeistof. Als je één lepel water bevriest, verandert het in meer dan een lepel ijs! Hetzelfde spul heeft nou meer ruimte nodig en één lepel ijs is lichter dan één lepel water of een lepel olie. Je zou met allerlei stofjes kunnen testen of ze een grotere dichtheid hebben (dan zinken ze) of een kleinere dichtheid (dan drijven ze). Dan moet je wel opletten dat ze niet door elkaar mengen.

Extra:
Als je ijs is gesmolten, heb je een glas met een laag water onderin en olie bovenop. Wat zou er gebeuren als je die in de vriezer zet en dan weer laat ontdooien? Test het maar eens en laat het ons weten!

maandag 1 juli 2013

Camping-experiment

Ga je op vakantie en ben je bang dat er op vakantie geen tijd is voor wetenschap? Als je op de camping staat (of naar buiten kunt), kun je als wetenschapper altijd aan de slag. Het experiment hieronder gaat over pissebedden. Je weet wel, die vieze grijze beestjes die zich verstoppen onder bloempotten en boomstammen.

Pissebedden zijn geen insecten, maar familie van kreeften en schaaldieren. Volwassen diertjes hebben wel zeven paar pootjes! Er zijn verschillende soorten pissebedden. Sommige kunnen zich oprollen en andere zijn juist heel plat. Met het experiment ga je uitvinden in welke omgeving ze zich het liefst bevinden.

Dit heb je nodig:

  • een pot (of een bakje waarin je pissebedden kunt vangen)
  • blaadjes, takjes en zand
  • water
  • twee bekers
  • aluminiumfolie
  • donker papier
  • licht (bijvoorbeeld de zon of een zaklamp)
Dit moet je doen:
Stap 1: Vang pissebedden. Zoek ze onder boomstammen of grote stenen. Wees voorzichtig, want in sommige landen kunnen er ook andere dieren verstopt zitten! Vraag je ouders of er zulke dieren kunnen zijn en gebruik dan een stok om de boomstam of de steen te draaien. Als er pissebedden onder zitten, moet je ze snel vangen, anders kruipen ze meteen weg.
Stap 2: Doe blaadjes, takjes en een beetje zand in de pot zodat ze zich kunnen verstoppen. Ze voelen zich dan meteen een beetje thuis en zullen niet snel proberen te ontsnappen.
Stap 3: Maak van aluminiumfolie een langwerpige bak waarin de pissebedden kunnen lopen. Vouw de folie een keer dubbel, vouw aan alle kanten een randje omhoog en klaar ben je!
Stap 4: Voer de experimenten uit die je hieronder leest.

Experiment 1: Licht of Donker
Bedek één kant van je aluminium bakje met donker papier en zorg dat er licht schijnt op de andere kant. Doe de pissebedden in het midden van je bakje en kijk naar welke kant ze gaan.

Experiment 2: Droog of Nat
Doe hetzelfde als boven, maar nu test je met droog zand aan de ene kant en nat zand aan de andere kant (geen modder).

Experiment 3: Warm of koud
Vul één beker met koud water en de andere met warm water. Zet je aluminiumbak als een brug over de twee bekers en zet de pissebedden in het midden. Kijk naar welke kant ze gaan.


Het is belangrijk om maar één ding tegelijk te testen, zodat je weet waarom de pissebedden naar de ene of de andere kant gaan. Zet je pissebedden na het onderzoek terug op de plaats waar je ze gevonden hebt.

Het onderzoek van dieren is belangrijk omdat je daardoor veel leert over de dieren en ook over hun omgeving. Als de omgeving verandert doordat het warmer of kouder wordt, er meer of minder water is of als er meer of minder schaduw is, kun je voorspellen wat de dieren zullen doen. Na de experimenten hierboven weet jij of pissebedden graag zonnebaden, liever in de zandbak of op het strand spelen en of het nacht- of dagdieren zijn.

maandag 24 juni 2013

Experiment: wetenschap van een ijslolliestokje!

Je weet vast wel hoe je een waterijsje kunt maken: Je doet wat ranja in een vormpje, steekt er een stokje in en dan gaat het de vriezer in tot het bevroren is. Natuurlijk kies je de ranja die jij het lekkerst vindt, maar wat voor stokje gebruik je? Welk materiaal ga je gebruiken?
Tijgers hebben geen stokje nodig! In dierentuinen geven ze wel eens ijs aan dieren op warme dagen. Het is lekker en ze kunnen ermee spelen!

Om uit te vinden welk materiaal het beste is, moeten we eerst kijken waarom er een stokje in het ijsje zit. Dat klink gemakkelijk, maar wetenschappers denken graag moeilijk. Laten we eens een rijtje maken:

De functie van het stokje:

  1. houdt het ijsje vast
  2. zorgt dat je hand droog blijft
  3. zorgt dat je hand niet bevriest
  4. laat het ijsje niet draaien als je eraan likt
We gaan nu de vier punten onderzoeken. Als eerste moet het stokje het ijsje vasthouden. Je moet dus een materiaal hebben waaraan het ijsje blijft plakken als het bevriest. We kiezen voor het experiment drie verschillende materialen:
  • hout
  • plastic
  • metaal
Dit heb je nodig:
  • water
  • ijsvormpjes
  • houten lolliestokjes
  • plastic bestek
  • theelepel
  • plakband
  • horloge of klok
Dit moet je doen:
Stap 1: Maak drie verschillende ijsjes (of ijsklontjes). Één met het houten stokje erin, eentje met de achterkant van het plastic bestek en eentje met de achterkant van de theelepel erin.
Stap 2: hang de ijsjes ondersteboven met plakband aan een tafel of stoel (als je dit buiten doet, hoef je niet op te ruimen!) en houd op de klok bij welk ijsje als eerste van het stokje valt.

Dit gebeurt er:
Materialen hebben allemaal een andere snelheid voor energie die er doorheen gaat. Warmte is ook energie en dat gaat sneller door metaal dan door hout of plastic. Dat betekent dat de warmte van de lucht ook sneller in het ijsje komt met het metalen lepeltje erin. Die zou dus als eerste moeten vallen. 

Om te kijken of je hand droog blijft, kun je het experiment hierboven nog een keer doen, maar dan terwijl je de ijsjes vasthoudt. Wissel van hand als het stokje te koud aanvoelt. Het verschil met het vorige experiment is dat er nu veel warmte van je hand naar het stokje gaat en in het ijsje. Bij welk ijsje blijft volgens jou je hand het langst droog?

Als je de experimenten hierboven hebt gedaan, voelde je vast wel dat het metalen lepeltje heel erg koud wordt. Dat komt omdat de warmte van je hand heel snel naar het ijsje gaat en daardoor voelt de lepel zó koud aan dat je ervan kunt bevriezen!

Als laatste kies je het materiaal waaraan het ijsje het beste bleef plakken zonder te smelten. Je gaat nu twee ijsjes maken met een lekker smaakje, want je moet ze helemaal opeten!

Dit heb je nodig:
  • een plat stokje
  • een rond stokje
  • twee vormpjes voor het ijs
  • water
  • ranja
Als plastic het best werkte, kies je bijvoorbeeld de achterkant van een plastic lepel en een rietje als rond stokje. Als hout het beste werkte, kies je een plat lolliestokje en een potlood als rond stokje.

Nu maak je je ijsjes met de stokjes erin en lik je ze helemaal op (voor de wetenschap natuurlijk). Hoe zorgt de vorm ervoor dat het ijsje aan het stokje blijft zitten? Welke vorm werkt beter?

Voor professionele ijsmakers is het belangrijk om te weten welk stokje het beste is. Bij een klein ijsje hoeft het niet lang te blijven plakken, zodat je met één hap je ijsje op kunt eten. Bij een heel groot ijsje met chocola moet het wel blijven plakken, anders knoei je op je kleren! Natuurlijk moeten je handen wel lang genoeg droog blijven en je vingers mogen niet bevriezen.

maandag 17 juni 2013

Superkoel experiment!

 Er komt een warme periode aan en wat is er dan lekkerder dan een koel drankje of een lekker ijsje? Een wetenschappelijk ijsje natuurlijk!

Het volgende experiment is heel gemakkelijk om te doen. Misschien moet je wel een paar keer oefenen voordat het goed gaat, maar dan kun je iedereen versteld laten staan. Je gaat een ijsje maken dat vloeibaar is in de fles, maar meteen verandert in ijs als je het uitschenkt.

Dit heb je nodig:

  • schone plastic fles
  • water
  • vriezer
  • ijsblokjes-vorm
Dit moet je doen:
Stap 1: Zorg dat je fles helemaal schoon is. Maak ook de dop goed schoon. Als er nog restjes inzitten van iets anders dan water, bevriest het misschien te snel. Vul de fles met schoon water uit de kraan en draai de dop erop.
Stap 2: Doe ook wat water in de ijsblokjesvorm en leg die samen met de fles in de vriezer.
Stap 3: Wacht. Wacht tot de ijsklontjes bijna helemaal bevroren zijn. Beweeg niet met de fles als je de ijsklontjes gaat controleren! Als het goed is, is het water in de fles dan nog vloeibaar. Het is nu supergekoeld water!
Stap 4: Je kunt het water laten bevriezen door tegen de fles te tikken of het uit te schenken op een ijsklontje!
een watermolecuul

Zo werkt het:
Water is gemaakt van moleculen. Dat zijn de kleinst mogelijke deeltjes van water. Dat molecuul heeft een vorm waarmee het precies op een ander molecuul past om een kristal te vormen: ijs. Als water vloeibaar is, kunnen die moleculen gewoon een beetje langs elkaar drijven. Als het bevriest, gaan ze allemaal in de kristalvorm zitten en dan hebben ze meer ruimte nodig. Als het water helemaal stil ligt, is er een evenwicht tussen de moleculen. Het is alsof ze niet weten dat het koud genoeg is om te bevriezen. Als je ze dan een tik geeft of uitschenkt, willen ze nog heel snel in de kristalvorm gaan zitten en verandert het in ijs. Je kunt er ook een ijsklontje in gooien. IJs heeft dus een beginnetje nodig! Hieronder zie je er een filmpje over.



Extra!
Probeer ook eens wat als eerste bevriest: een flesje met koud water of een flesje met heet water uit de kraan.

maandag 10 juni 2013

Zweterige drankjes

Als je het warm hebt, ga je zweten. Dat wist je natuurlijk al. Maar weet je ook waarom je zweet?

Over je hele lichaam heb je zweetklieren. Geen zwetende pestkoppen, maar hele kleine zakjes onder je huid waarlangs zweet uit je huid kan komen. De meeste heb je op je handen, je voeten en onder je oksels. Als je lichaam te warm wordt, moet het afkoelen. Door te zweten, koel je af. Dat komt omdat zweet de warmte-energie gebruikt om te verdampen. Het water gebruikt dan de warmte van je lichaam om te veranderen in waterdamp.

Je kunt ook afkoelen door iets kouds te drinken. Soms lijkt het alsof de beker zweet, maar zo'n beker heeft helemaal geen zweetklieren. Waar komt het water aan de buitenkant dan vandaan? We gaan het testen met een experiment.

Dit heb je nodig:

  • twee dezelfde bekers
  • water
  • ijsklontjes
  • thermometer (extra)
  • handdoek
  • klok of stopwatch
Dit moet je doen:
Stap 1: Vul één beker met water en doe ijsklontjes in de andere. Vul de beker met ijsklontjes aan met water, tot in allebei de bekers evenveel zit. Droog de bekers aan de buitenkant af.
Stap 2: Zet de bekers op een warme plaats, bijvoorbeeld buiten in de zon. Laat ze 15 minuten staan. Gaat je koude beker zweten? En de gewone beker?


Dit gebeurt er:
De beker zonder ijs is je controle-beker. Dat is de normale situatie. De beker met ijs is je testbeker. Dat is de situatie die je gaat onderzoeken. Als het goed is, zie je druppeltjes vormen op de ijsbeker. Het lijkt wel zweet!
De beker zweet niet, er komt condens op. Condens is waterdamp dat is veranderd in water. Dat is dus het tegenovergestelde van verdampen. Er zit heel veel water in de lucht, in de vorm van waterdamp. Als de waterdamp in de buurt van de koude beker komt, raakt het energie kwijt. De deeltjes kunnen dan niet meer vrij rondzweven en gaan aan elkaar plakken tot het druppeltjes zijn. Die druppels plakken dan aan de beker.
EXTRA: Meet met de thermometer hoe koud het water is als er druppeltjes gaan vormen. Die temperatuur is het dauwpunt. Dauw is een naam voor de druppeltjes die je 's ochtends wel eens op het gras ziet. Dat is ook gecondenseerde waterdamp.
Probeer het experiment nog eens met bekers van ander materiaal. Gebruik bijvoorbeeld gekleurde bekers, glazen of blikjes. Je kunt ook meer of minder ijs gebruiken

maandag 3 juni 2013

Hoe besmettelijk ben jij?

In het nieuws hoor je vaak over besmettelijke ziekten. Soms kun je zelfs ziek worden van dieren, omdat de bacteriën of virussen ook werken in jouw lichaam. De meeste bacteriën en virussen krijg je van spuug. Als iemand een virus of een bacterie in zijn lichaam heeft, kan die ook in zijn spuug zitten. Als je hoest, vliegen er allemaal kleine spuugdruppeltjes weg die iemand anders kan inademen.
Niet alleen door te niezen, maar vooral door je handen kun je ziekteverwekkers doorgeven. Als je een beetje snot op je handen hebt, geef je dat al snel door aan de deurklink, je tafel, je pen, geld, je telefoon, je computer en allerlei dingen die je vastpakt. Als iemand anders dat ook vastpakt, kan die er ook ziek van worden.

Met het volgende experiment kun je zien hoe besmettelijk je bent.

Dit heb je nodig:

  • vloeibaar wasmiddel (witte was)
  • heel veel vrijwilligers (familieleden, een hele klas)
  • pen en papier
  • UV-lamp (blacklight)
  • donkere kamer
Dit moet je doen:
Stap 1: Verdeel je vrijwilligers in twee groepen; groep 1 en groep 2. Zet de UV-lamp in de donkere kamer aan. Smeer wat wasmiddel op de hand (die waarmee je schrijft) alsof het besmettelijk snot is. Een beetje op je vingers, een beetje aan de binnenkant van je hand en misschien ook een beetje op je pols.
Stap 2: Schrijf met de pen je naam bovenaan het papier. Geef de pen door aan groep 1 en vraag ze om allemaal hun naam op te schrijven.
Stap 3: Geef iedereen in groep 2 een hand en vraag ze om de anderen een hand te geven. Zeg tegen je proefpersonen dat ze niet meteen hun handen mogen wassen. Dat mag pas nadat het experiment is afgelopen.
Stap 4: Neem de pen en het papier mee naar de UV-lamp om te kijken hoeveel besmettelijk snot erop zit. Het zal lichtgeven onder de lamp.
Stap 5: Vraag één voor één je proefpersonen van groep 1 naar binnen, op volgorde van hun naam op het blaadje. Is iedereen even erg besmet? Vraag dan groep 2 naar binnen. Zijn zij allemaal besmet geraakt?

Zo werkt het:
Je snot is plakkerig, net als het wasmiddel. Echt snot licht niet op onder een UV-lamp, maar wasmiddel wel. Dat komt omdat er witmakers inzitten. Dat zijn stoffen die extra veel UV-licht weerkaatsen, waardoor de was extra wit lijkt. Je ziet dat het erg belangrijk is om af en toe je handen te wassen, zodat je jouw ziekteverwekkers niet doorgeeft aan anderen en zodat je zelf niet ziek wordt van anderen. Als je niest, kun je dat het beste doen in je elleboog. Je geeft dan geen snot door aan anderen en verspreidt ook geen druppeltjes.
zo moet het!

maandag 27 mei 2013

Reflex-experiment

Deze week is in het nieuws dat kinderen steeds vaker blessures oplopen tijdens het sporten. Dat komt volgens onderzoekers omdat veel kinderen maar weinig bewegen en omdat veel sportende kinderen te hard sporten. Je lichaam raakt overbelast als je meer doet dan je aankunt, maar waarom krijg je daar blessures van?

Als je loopt, springt, tegen een voetbal trapt of ergens tegen slaat, werken er een heleboel spieren samen. Als die spieren moe worden, verzuren ze. Als die spier zó hard moet werken dat hij niet genoeg zuurstof krijgt, gaat hij melkzuur aanmaken. Met melkzuur in je spieren kun je ze niet meer zo hard aanspannen en krijg je spierpijn. Je spieren werken dan ook minder goed samen. Als je traint, leer je je lichaam om meer zuurstof naar je spieren te brengen en je leert je spieren om beter met energie om te gaan, zodat je sterker wordt en een betere conditie krijgt. Nog een voordeel: er gaat ook meer bloed naar je hersenen!

Als je traint, leren je spieren ook om beter samen te werken. Soms gaat dat via reflexen. Soms is een reflex iets dat vanzelf gaat, zoals je ogen dichtdoen als je niest. Maar soms is een reflex ook iets wat je geleerd hebt. Met de volgende experimentjes kun je het verschil onderzoeken tussen een aangeleerde reflex en een automatische reflex.

Dit heb je nodig:

  • proefpersoon
  • zaklamp
  • klok met secondewijzer of stopwatch
  • veld of pad waar je proefpersoon veilig kan rennen
Dit moet je doen voor de aangeleerde reflex:
Stap 1: Meet op het veld of pad een afstand van 30 grote passen. Laat je proefpersoon bij het begin staan en ga zelf bij het einde (de finish) staan. Meet met de stopwatch hoe snel je proefpersoon van begin tot eind kan rennen. Laat je proefpersoon hierna minstens drie minuten rusten.
Stap 2: Je gaat de reflex van je proefpersoon 'activeren'. Laat je proefpersoon binnen tien seconden twintig keer 'huppen': kleine sprongetjes op de plaats maken. Meet dan nog een keer hoe snel je proefpersoon is.

Stap 3: Je gaat de spieren van je proefpersoon moe maken. Laat je proefpersoon een minuut lang diepe kniebuigingen maken. Alle spieren die je gebruikt om te lopen, worden dan moe. Meet dan nog een keer hoe snel je proefpersoon is.
Je kunt het experiment ook uitvoeren met een grotere afstand, met bochten en zelfs met (veilige) obstakels om overheen te springen of omheen te lopen.

Dit gebeurt er:
Eerst is je proefpersoon ongetraind en zal hij/zij niet zo snel lopen als een getraind iemand. Door te huppen, maak je de spieren en zenuwen klaar voor actie. De spieren werken dan beter samen en de proefpersoon kan harder lopen. Met vermoeide spieren werken de reflexen nog wel, maar de spieren zijn te moe om de benen snel te laten bewegen. Je proefpersoon zal weer langzamer zijn.

Dit moet je doen voor de automatische reflex:
Stap 1: Schijn met je zaklamp in één oog van je proefpersoon en let op de pupil van het andere oog. Doe het ook een keer andersom.
Stap 2: Laat de proefpersoon naar je gezicht kijken, terwijl je op twee passen afstand staat. Hou je handen voor je lichaam. Let goed op de ogen van je proefpersoon en klap dan plotseling hard in je handen.

Dit gebeurt er:
Je ogen sturen een signaal naar je hersenen als je naar fel licht kijkt. Je hersenen spannen dan de spiertjes in je ogen aan om je pupil kleiner te maken. Zo beschadig je je ogen niet met te veel licht. Die reflex werkt op allebei de ogen tegelijk, dus als je maar in één oog schijnt, wordt de andere pupil automatisch kleiner. 
Je hersenen beschermen je ogen ook tegen gevaar dat je niet kunt zien. Als je hard in je handen klapt (of er knalt een ballon), dan zal je proefpersoon even knipperen. Zo zorg je ervoor dat je niets in je ogen krijgt als er iets knalt!

dinsdag 21 mei 2013

Experiment: Bouw een Atlatl (katapult)!

Wetenschappers hebben ontdekt dat mensen al 90.000 jaar geleden jaagden met een speer. Jagen met een speer zorgde ervoor dat mensen niet dichtbij gevaarlijke dieren hoefden te komen om te jagen. De speer is een belangrijke uitvinding van de oermens geweest en er is in al die tijd heel veel aan verbeterd!
Je kunt een speer gebruiken om te gooien, maar je kunt hem ook afschieten! Het bekendste voorbeeld daarvan is een atlatl. Dat is een speer die gegooid werd met hulp van een andere stok. Eigenlijk is dit de eerste versie van een katapult.
atlatl

Je kunt zelf een atlatl maken, maar speerwerpen kan gevaarlijk zijn. Daarom maken we een veilige versie van dit werptuig.

Dit heb je nodig:
- bezemsteel
- oude tennisbal
- duct tape
- pollepel of opscheplepel
- grote open testruimte (buiten)

Dit moet je doen:
Stap 1: Maak met duct-tape de pollepel vast aan de bezemsteel
Stap 2: Test je nul-afstand: gooi de tennisbal zo ver mogelijk en onthoud waar hij landt. Die afstand is je basis. Nu ga je kijken of je verder kunt gooien met je werptuig.
Stap 3: leg de tennisbal in de kom van de pollepel. Probeer nu de tennisbal te gooien door een grote zwaai te maken met de bezemsteel. Let op dat er niemand in de buurt is die je kunt raken!

Zo werkt het:
Stel je voor dat je arm een spaak is in een wiel. De buitenkant van het wiel beweegt sneller dan de spaak dichtbij de as (je schouder). Daarom gebruik je de hele lengte van je arm om te gooien. Als je de werpstok gebruikt, is de spaak nog langer. Als je net zo snel beweegt, gaat de buitenkant van het wiel sneller, want die legt een grotere afstand af.

woensdag 15 mei 2013

Experiment: hoeveel woorden kun je onthouden?

Wetenschappers hebben onderzocht dat er zo'n 23 woorden zijn die al 15.000 jaar of langer bestaan! De woorden worden over de hele wereld gebruikt en klinken overal ongeveer hetzelfde. De wetenschappers hebben bekeken of er woorden zijn die vaak gebruikt worden in verschillende talen en of die op elkaar lijken.


Meestal veranderen woorden zo snel dat na 5.000 jaar niet meer terug te vinden is waar het vandaan komt. De uitspraak of spelling van woorden verandert en sommige woorden worden niet meer gebruikt. Sommige woorden worden alleen in kleine gebieden gebruikt, in een dialect. Daarom is het heel bijzonder dat ze deze lijst hebben kunnen maken.

De 'oude' woorden zijn:

  • jou
  • ik
  • niet
  • dat
  • wij
  • geven
  • wie
  • dit
  • wat
  • man
  • je
  • oud
  • moeder
  • horen
  • hand
  • vuur
  • bast
  • as
  • spugen
  • worm
  • zwart
  • trekken
  • vloeien
Je kunt zelf proberen hoe goed je sommige woorden onthoudt met het volgende experiment.

Dit heb je nodig:
  • woordenboek Nederlands
  • woordenboek vreemde taal
  • pen en papier
  • zo veel mogelijk proefpersonen
Dit moet je doen:
Stap 1: kies vijf nederlandse woorden uit het woordenboek, het liefst woorden die je niet zo vaak gebruikt. Schrijf ze op een briefje, zodat je ze later kunt controleren.
Stap 2: Vertel de vijf woorden aan één proefpersoon, zonder dat de anderen het kunnen horen. Die proefpersoon vertelt het weer aan één ander, enzovoort. Ga door tot iedereen de woorden gehoord heeft.
Stap 3: Controleer of de laatste proefpersoon alle woorden goed heeft en goed uitspreekt.

Stap 4: Doe nu stap 1, 2 en 3 met vijf buitenlandse woorden. Gaat dit beter of slechter?

Stap 5: Zoek in het buitenlandse woordenboek vijf woorden uit de lijst die hier boven staat. Doe weer stap 1, 2 en 3 met de buitenlandse namen van die woorden. Gaat dat beter?

Zo werkt het:
Je hersenen hebben een enorme lijst van dingen die je al weet. Bij een woord dat je kent, zoals 'boom', denk je meteen aan bladeren, een stam, vogels die erin zitten, schaduw als de zon schijnt enzovoort. Daardoor kun je die woorden beter onthouden dan vreemde woorden. Als het goed is, kun je de buitenlandse woorden uit de lijst beter onthouden dan andere vreemde woorden, omdat ze 15.000 jaar geleden uit hetzelfde woord zijn ontstaan.

dinsdag 7 mei 2013

Experiment: moederdagbloemen!

Moederdag komt eraan! Je moet dus zorgen dat je op tijd een kadootje hebt en bloemen doen het altijd goed. Een mooie gekleurde bos staat natuurlijk heel fraai, maar een bosje witte bloemen is goedkoper. De kleur kun je dan zelf eenvoudig kiezen.


Dit heb je nodig:

  • een bos witte bloemen (vers!)
  • mesje of schaar
  • vaas
  • water
  • kleurstof (voedselkleurstof van de taartafdeling in de supermarkt)
Dit moet je doen:
Stap 1: knip of snij de bloemen schuin af aan de onderkant van de steel. Vraag een volwassene om je hiermee te helpen. Je kunt de stelen het best onder water afsnijden, anders kunnen er luchtbelletjes in de stelen komen en dan werkt het niet.
Stap 2: Doe water in de vaas en voeg er een beetje kleurstof aan toe tot het een mooie kleur heeft. Zet de bloemen erin en wacht tot ze verkleurd zijn. Je kunt deze stap met verschillende kleuren voor verschillende bloemen doen.
Stap 3: Zet de gekleurde bloemen bij elkaar in een vaas en geef ze op zondag aan je moeder! 

Zo werkt het:
Er zijn verschillende systemen die het water door de bloem vervoeren. In de blaadjes verdampt water, waardoor het door een soort vatensysteem (het xyleem) omhoog gezogen wordt. De zwaartekracht trekt er wel aan, maar water maakt gebruik van capillaire werking. Dat betekent dat het tegelijkertijd bij elkaar wil blijven en in het xyleem wil blijven plakken. De verdamping zorgt ervoor dat aan de bovenkant water verdwijnt, net als wanneer je aan een rietje zuigt. De kleuren in het water verdampen niet, die blijven achter in de bloemblaadjes.
Wil je eens creatief doen? Kijk maar eens wat er gebeurt als je een bloem eerst in de ene kleurstof zet en daarna in de andere. Of snijd een steel in de lengte doormidden en zet de helften in verschillende kleuren water. Veel plezier!

maandag 22 april 2013

Experiment: Superproever

Vind jij alles lekker? Vast niet. Maar er zijn mensen die maar heel weinig dingen lusten. Misschien zijn ze wel zo kieskeurig omdat het superproevers zijn!

Je proeft dingen met je tong. Op je tong zitten kleine bobbeltjes die smaakpapillen heten en daarmee proef je. Als je er heel veel hebt, proef je alle smaken heel heftig. Vind jij broccoli heel vies? Of vind je grapefruit extreem bitter? Dan ben je misschien een superproever. Doe de test om erachter te komen.

Dit heb je nodig:

  • vrijwilligers (hoe meer hoe beter)
  • schoon bakpapier
  • schaar
  • perforator
  • blauwe voedselkleurstof
  • één glas schoon water per vrijwilliger
  • felle lamp of zaklamp
  • vergrootglas
  • pen en papier of een andere manier om notities te maken

Dit moet je doen:
Stap 1: Maak voor iedere vrijwilliger (en jezelf) een ringetje van bakpapier. Maak met de perforator een gaatje in het bakpapier en knip daaromheen een rondje uit. Dan heb je een ringetje van papier. Maak die voor alle vrijwilligers één.
Stap 2: Doe bij je vrijwilliger één druppel kleurstof op het puntje van de tong. Laat ze even goed spoelen met een slokje water en laat ze het water uitspugen.
Stap 3: Je vrijwilliger moet z'n tong goed droog maken. Dat gaat het best door een paar keer te slikken. Als het goed is, heeft je vrijwilliger nu een droge, blauwe tong met lichtblauwe of roze bultjes erop. Die bultjes zijn de smaakpapillen!
Stap 4: Leg je papieren ringetje op de tong van je vrijwilliger en kijk goed naar de papillen met je vergrootglas onder fel licht. Tel de papillen die je in de cirkel ziet (tel alleen de grotere bultjes)

Herhaal de stappen hierboven voor alle proefpersonen. Schrijf van iedere vrijwilliger op hoeveel papillen je geteld hebt in de cirkel.

Zo werkt het:
Superproevers hebben meer dan 30 papillen in een rondje, niet-proevers hooguit 15 en de 'normale' proevers zitten er tussenin. Iedere papil kan je hersenen vertellen welke smaak je in je mond hebt. De signalen die ze doorgeven zijn: zoet, zout, zuur, bitter en umami. Die laatste is de smaak van hartig eten. Dat proef je vooral aan vlees.

Extra:
Nu je weet wie van je proefpersonen de meeste papillen heeft, kun je verder onderzoek doen. Neem verschillende soorten eten en laat de vrijwilligers geblinddoekt proeven. Raden de proevers met meer papillen het beter? Het werkt het beste als je het eten eerst prakt, zodat ze in hun mond niet kunnen voelen wat het is. Fruit werkt heel goed (aardbei en banaan zijn zoet, citroen en limoen zuur, grapefruit is bitter) maar je kunt natuurlijk vanalles proberen. Maakt het verschil als je verschillende dingen na elkaar proeft?
sommige dieren hebben van zichzelf al een blauwe tong



maandag 15 april 2013

Experiment: bellenblaasbellen die niet kapot gaan!

Het is heerlijk weer om buiten te spelen en dit experiment is daar heel geschikt voor. Je hebt vast wel eens bellen geblazen. De bellenblaas uit de winkel doet het vaak beter dan de bellenblaas die je zelf maakt. Dat komt omdat er meer zeep in zit.

Zeep is gemaakt van moleculen die met één kant in het water willen steken en met de andere kant juist niet. Daarom kun je er zo goed mee wassen. Stel je voor dat je friet met mayonaise eet en je knoeit op je shirt. Vieze vette vlekken op je shirt, dat wil je natuurlijk snel schoonmaken! Die vette mayonaise-vlekken op je shirt kun je er niet afspoelen met water, maar de zeepmoleculen houden zich vast aan het water en aan de mayonaise, waardoor de mayonaise als kleine druppeltjes in het water blijft 'zweven'.

Op dezelfde manier kun je ook bellen blazen met zeepwater. De zeepmoleculen houden dan het water vast als je er lucht in blaast. In plaats van druppeltjes mayonaise in water, heb je dus eigenlijk een luchtbel gevangen in een velletje van water en zeepmoleculen.
Zo'n zeepbel staat helemaal strak. Net als een ballon spat ie uit elkaar als je erin prikt. Omdat het zeepvelletje superdun is, knapt het al als je het aanraakt. Dat is niet leuk. Dat kan beter!

Dit heb je nodig:

  • beker
  • water
  • zeep
  • theelepel
  • eetlepel
  • suiker
  • bellenblaasring of ijzerdraad
Dit moet je doen:
Stap 1: Doe twee suikerklontjes of drie theelepels suiker in de beker. Vul de beker voor 2/3 (iets meer dan de helft) met water en roer goed tot alle suiker is opgelost.
Stap 2: Doe zeep bij je mengsel tot de beker bijna vol is. Zachtjes roeren, zodat er geen schuim op komt.
Stap 3: Als je geen bellenblaasring hebt, moet je er zelf één maken. Dat kan door een lus te buigen in een ijzerdraadje en die dicht te draaien. Even dippen en blazen maar!

Deze bellen gaan niet zo snel kapot, omdat de suiker er voor zorgt dat het water niet zo snel verdampt en de dikke suikermoleculen houden het velletje steviger. Je kunt ze zelfs laten stuiteren!

dinsdag 9 april 2013

Vulkaan in een theeglas

Veel vulkaanmodellen maken gebruik van een chemische reaktie voor de uitbarsting. In het echt werkt het anders:
Door de warmte van het binnenste van de aarde geeft extra energie aan de moleculen van de gesmolten steen. Die energie wordt omgezet in beweging en al die bewegende deeltjes, de moleculen, gaan steeds sneller bewegen. Die snel bewegende moleculen botsen steeds harder tegen elkaar en tegen de niet-gesmolten steenlaag, waardoor ze op het zwakste punt door die laag heen kunnen breken.
tekening van vulkanisme.nl
Met het experiment hieronder kun je precies zien hoe het werkt, want de reaktie is hetzelfde.

Dit heb je nodig:

  • theeglas
  • water
  • zand
  • was (niet uit de wasmand, maar van een kaars)
  • warmtebron (gloeilamp, kaarsvlam, warmteplaatje)
  • volwassen assistent
Dit moet je doen:
Stap 1: Laat je volwassen assistent een kaars smelten in het theeglas, zodat je onderin een laag was van een centimeter hebt. De was moet afkoelen en stollen voordat je verder gaat met de volgende stap.
Stap 2: Giet zand in het glas, zodat er een flinke laag op de was ligt. Giet dan water in het glas tot ongeveer twee centimeter onder de rand.
Stap 3: Houd het glas boven een warmtebron, zoals een kaarsvlam (gevaarlijk!) of een gloeilamp (veiliger).

Dit gebeurt er:

Door de warmte zal de was gaan smelten. Als de was warm wordt, wil de gesmolten was drijven op het water, maar het wordt tegengehouden door het zand. Net zoals lava wordt tegengehouden door de aarde erboven, kan het er alleen uit als er een zwakke plek is. Op de zwakste plek zal je 'lava' door het zand heen breken. Net als bij een echte vulkaan wordt eerst de grond omhoog geduwd, dan spuit de lava eruit en bovenin het water (de 'lucht') vormt zich een laag was. In het echt is er een rookwolk die zich op grote hoogte verspreid door de atmosfeer.

dinsdag 2 april 2013

Ben je bij de neus genomen?

Het is één april geweest, de dag van de grapjes en 'verzendingen'. De traditie om mensen op de eerste dag van april voor de gek te houden, bestaat al eeuwen. Vaak worden mensen op pad gestuurd (verzonden) om onzinnige dingen te halen, zoals een 'plintenladder'.
Ben jij ook in de maling genomen? Heeft iemand je verteld dat je veter los zit of heb je zelf een grap uitgehaald met iemand?
Dit jaar viel 1 april met Pasen, dus je had natuurlijk heel veel grappen kunnen uithalen met eieren. Als je vergeten bent iemand te foppen, kun je misschien nog het volgende experiment uitproberen. Je kunt zelf een stinkbom maken die naar rotte eieren ruikt. Het duurt een paar dagen voordat ie klaar is en het stinkt enorm!

WAARSCHUWING: DEZE STINKBOM RUIKT HEEL SMERIG. NIET GEBRUIKEN IN HUIS OF OP SCHOOL!

Dit heb je nodig:

  • lucifers
  • ammoniak
  • frisdrankflesje
  • schaar
Dit moet je doen:
Stap 1: Knip van ongeveer 20 lucifers de kopjes af en doe ze in de schone, droge fles.
Stap 2: Doe er twee eetlepels ammoniak bij en schud ermee zodat het goed gemengd is.
Stap 3: Wacht drie tot vier dagen voordat je de fles openmaakt, het zal enorm stinken!

Zo werkt het:
In de kopjes van lucifers zit waterstofsulfide, wat met de ammoniak reageert tot ammoniumsulfide. Ammoniumsulfide is een stofje dat enorm stinkt en ook gebruikt wordt in stinkbommen die je in de winkel kunt kopen. Het gas is een beetje giftig, dus gebruik het niet in een ruimte zonder ventilatie of waar mensen lang moeten blijven zitten. Als je er aan ruikt, moet je niet hard snuiven, maar de lucht voorzichtig naar je neus wapperen met je hand.

Veel stinkplezier!