maandag 17 juni 2013

Superkoel experiment!

 Er komt een warme periode aan en wat is er dan lekkerder dan een koel drankje of een lekker ijsje? Een wetenschappelijk ijsje natuurlijk!

Het volgende experiment is heel gemakkelijk om te doen. Misschien moet je wel een paar keer oefenen voordat het goed gaat, maar dan kun je iedereen versteld laten staan. Je gaat een ijsje maken dat vloeibaar is in de fles, maar meteen verandert in ijs als je het uitschenkt.

Dit heb je nodig:

  • schone plastic fles
  • water
  • vriezer
  • ijsblokjes-vorm
Dit moet je doen:
Stap 1: Zorg dat je fles helemaal schoon is. Maak ook de dop goed schoon. Als er nog restjes inzitten van iets anders dan water, bevriest het misschien te snel. Vul de fles met schoon water uit de kraan en draai de dop erop.
Stap 2: Doe ook wat water in de ijsblokjesvorm en leg die samen met de fles in de vriezer.
Stap 3: Wacht. Wacht tot de ijsklontjes bijna helemaal bevroren zijn. Beweeg niet met de fles als je de ijsklontjes gaat controleren! Als het goed is, is het water in de fles dan nog vloeibaar. Het is nu supergekoeld water!
Stap 4: Je kunt het water laten bevriezen door tegen de fles te tikken of het uit te schenken op een ijsklontje!
een watermolecuul

Zo werkt het:
Water is gemaakt van moleculen. Dat zijn de kleinst mogelijke deeltjes van water. Dat molecuul heeft een vorm waarmee het precies op een ander molecuul past om een kristal te vormen: ijs. Als water vloeibaar is, kunnen die moleculen gewoon een beetje langs elkaar drijven. Als het bevriest, gaan ze allemaal in de kristalvorm zitten en dan hebben ze meer ruimte nodig. Als het water helemaal stil ligt, is er een evenwicht tussen de moleculen. Het is alsof ze niet weten dat het koud genoeg is om te bevriezen. Als je ze dan een tik geeft of uitschenkt, willen ze nog heel snel in de kristalvorm gaan zitten en verandert het in ijs. Je kunt er ook een ijsklontje in gooien. IJs heeft dus een beginnetje nodig! Hieronder zie je er een filmpje over.



Extra!
Probeer ook eens wat als eerste bevriest: een flesje met koud water of een flesje met heet water uit de kraan.

maandag 10 juni 2013

Zweterige drankjes

Als je het warm hebt, ga je zweten. Dat wist je natuurlijk al. Maar weet je ook waarom je zweet?

Over je hele lichaam heb je zweetklieren. Geen zwetende pestkoppen, maar hele kleine zakjes onder je huid waarlangs zweet uit je huid kan komen. De meeste heb je op je handen, je voeten en onder je oksels. Als je lichaam te warm wordt, moet het afkoelen. Door te zweten, koel je af. Dat komt omdat zweet de warmte-energie gebruikt om te verdampen. Het water gebruikt dan de warmte van je lichaam om te veranderen in waterdamp.

Je kunt ook afkoelen door iets kouds te drinken. Soms lijkt het alsof de beker zweet, maar zo'n beker heeft helemaal geen zweetklieren. Waar komt het water aan de buitenkant dan vandaan? We gaan het testen met een experiment.

Dit heb je nodig:

  • twee dezelfde bekers
  • water
  • ijsklontjes
  • thermometer (extra)
  • handdoek
  • klok of stopwatch
Dit moet je doen:
Stap 1: Vul één beker met water en doe ijsklontjes in de andere. Vul de beker met ijsklontjes aan met water, tot in allebei de bekers evenveel zit. Droog de bekers aan de buitenkant af.
Stap 2: Zet de bekers op een warme plaats, bijvoorbeeld buiten in de zon. Laat ze 15 minuten staan. Gaat je koude beker zweten? En de gewone beker?


Dit gebeurt er:
De beker zonder ijs is je controle-beker. Dat is de normale situatie. De beker met ijs is je testbeker. Dat is de situatie die je gaat onderzoeken. Als het goed is, zie je druppeltjes vormen op de ijsbeker. Het lijkt wel zweet!
De beker zweet niet, er komt condens op. Condens is waterdamp dat is veranderd in water. Dat is dus het tegenovergestelde van verdampen. Er zit heel veel water in de lucht, in de vorm van waterdamp. Als de waterdamp in de buurt van de koude beker komt, raakt het energie kwijt. De deeltjes kunnen dan niet meer vrij rondzweven en gaan aan elkaar plakken tot het druppeltjes zijn. Die druppels plakken dan aan de beker.
EXTRA: Meet met de thermometer hoe koud het water is als er druppeltjes gaan vormen. Die temperatuur is het dauwpunt. Dauw is een naam voor de druppeltjes die je 's ochtends wel eens op het gras ziet. Dat is ook gecondenseerde waterdamp.
Probeer het experiment nog eens met bekers van ander materiaal. Gebruik bijvoorbeeld gekleurde bekers, glazen of blikjes. Je kunt ook meer of minder ijs gebruiken

maandag 3 juni 2013

Hoe besmettelijk ben jij?

In het nieuws hoor je vaak over besmettelijke ziekten. Soms kun je zelfs ziek worden van dieren, omdat de bacteriën of virussen ook werken in jouw lichaam. De meeste bacteriën en virussen krijg je van spuug. Als iemand een virus of een bacterie in zijn lichaam heeft, kan die ook in zijn spuug zitten. Als je hoest, vliegen er allemaal kleine spuugdruppeltjes weg die iemand anders kan inademen.
Niet alleen door te niezen, maar vooral door je handen kun je ziekteverwekkers doorgeven. Als je een beetje snot op je handen hebt, geef je dat al snel door aan de deurklink, je tafel, je pen, geld, je telefoon, je computer en allerlei dingen die je vastpakt. Als iemand anders dat ook vastpakt, kan die er ook ziek van worden.

Met het volgende experiment kun je zien hoe besmettelijk je bent.

Dit heb je nodig:

  • vloeibaar wasmiddel (witte was)
  • heel veel vrijwilligers (familieleden, een hele klas)
  • pen en papier
  • UV-lamp (blacklight)
  • donkere kamer
Dit moet je doen:
Stap 1: Verdeel je vrijwilligers in twee groepen; groep 1 en groep 2. Zet de UV-lamp in de donkere kamer aan. Smeer wat wasmiddel op de hand (die waarmee je schrijft) alsof het besmettelijk snot is. Een beetje op je vingers, een beetje aan de binnenkant van je hand en misschien ook een beetje op je pols.
Stap 2: Schrijf met de pen je naam bovenaan het papier. Geef de pen door aan groep 1 en vraag ze om allemaal hun naam op te schrijven.
Stap 3: Geef iedereen in groep 2 een hand en vraag ze om de anderen een hand te geven. Zeg tegen je proefpersonen dat ze niet meteen hun handen mogen wassen. Dat mag pas nadat het experiment is afgelopen.
Stap 4: Neem de pen en het papier mee naar de UV-lamp om te kijken hoeveel besmettelijk snot erop zit. Het zal lichtgeven onder de lamp.
Stap 5: Vraag één voor één je proefpersonen van groep 1 naar binnen, op volgorde van hun naam op het blaadje. Is iedereen even erg besmet? Vraag dan groep 2 naar binnen. Zijn zij allemaal besmet geraakt?

Zo werkt het:
Je snot is plakkerig, net als het wasmiddel. Echt snot licht niet op onder een UV-lamp, maar wasmiddel wel. Dat komt omdat er witmakers inzitten. Dat zijn stoffen die extra veel UV-licht weerkaatsen, waardoor de was extra wit lijkt. Je ziet dat het erg belangrijk is om af en toe je handen te wassen, zodat je jouw ziekteverwekkers niet doorgeeft aan anderen en zodat je zelf niet ziek wordt van anderen. Als je niest, kun je dat het beste doen in je elleboog. Je geeft dan geen snot door aan anderen en verspreidt ook geen druppeltjes.
zo moet het!

maandag 27 mei 2013

Reflex-experiment

Deze week is in het nieuws dat kinderen steeds vaker blessures oplopen tijdens het sporten. Dat komt volgens onderzoekers omdat veel kinderen maar weinig bewegen en omdat veel sportende kinderen te hard sporten. Je lichaam raakt overbelast als je meer doet dan je aankunt, maar waarom krijg je daar blessures van?

Als je loopt, springt, tegen een voetbal trapt of ergens tegen slaat, werken er een heleboel spieren samen. Als die spieren moe worden, verzuren ze. Als die spier zó hard moet werken dat hij niet genoeg zuurstof krijgt, gaat hij melkzuur aanmaken. Met melkzuur in je spieren kun je ze niet meer zo hard aanspannen en krijg je spierpijn. Je spieren werken dan ook minder goed samen. Als je traint, leer je je lichaam om meer zuurstof naar je spieren te brengen en je leert je spieren om beter met energie om te gaan, zodat je sterker wordt en een betere conditie krijgt. Nog een voordeel: er gaat ook meer bloed naar je hersenen!

Als je traint, leren je spieren ook om beter samen te werken. Soms gaat dat via reflexen. Soms is een reflex iets dat vanzelf gaat, zoals je ogen dichtdoen als je niest. Maar soms is een reflex ook iets wat je geleerd hebt. Met de volgende experimentjes kun je het verschil onderzoeken tussen een aangeleerde reflex en een automatische reflex.

Dit heb je nodig:

  • proefpersoon
  • zaklamp
  • klok met secondewijzer of stopwatch
  • veld of pad waar je proefpersoon veilig kan rennen
Dit moet je doen voor de aangeleerde reflex:
Stap 1: Meet op het veld of pad een afstand van 30 grote passen. Laat je proefpersoon bij het begin staan en ga zelf bij het einde (de finish) staan. Meet met de stopwatch hoe snel je proefpersoon van begin tot eind kan rennen. Laat je proefpersoon hierna minstens drie minuten rusten.
Stap 2: Je gaat de reflex van je proefpersoon 'activeren'. Laat je proefpersoon binnen tien seconden twintig keer 'huppen': kleine sprongetjes op de plaats maken. Meet dan nog een keer hoe snel je proefpersoon is.

Stap 3: Je gaat de spieren van je proefpersoon moe maken. Laat je proefpersoon een minuut lang diepe kniebuigingen maken. Alle spieren die je gebruikt om te lopen, worden dan moe. Meet dan nog een keer hoe snel je proefpersoon is.
Je kunt het experiment ook uitvoeren met een grotere afstand, met bochten en zelfs met (veilige) obstakels om overheen te springen of omheen te lopen.

Dit gebeurt er:
Eerst is je proefpersoon ongetraind en zal hij/zij niet zo snel lopen als een getraind iemand. Door te huppen, maak je de spieren en zenuwen klaar voor actie. De spieren werken dan beter samen en de proefpersoon kan harder lopen. Met vermoeide spieren werken de reflexen nog wel, maar de spieren zijn te moe om de benen snel te laten bewegen. Je proefpersoon zal weer langzamer zijn.

Dit moet je doen voor de automatische reflex:
Stap 1: Schijn met je zaklamp in één oog van je proefpersoon en let op de pupil van het andere oog. Doe het ook een keer andersom.
Stap 2: Laat de proefpersoon naar je gezicht kijken, terwijl je op twee passen afstand staat. Hou je handen voor je lichaam. Let goed op de ogen van je proefpersoon en klap dan plotseling hard in je handen.

Dit gebeurt er:
Je ogen sturen een signaal naar je hersenen als je naar fel licht kijkt. Je hersenen spannen dan de spiertjes in je ogen aan om je pupil kleiner te maken. Zo beschadig je je ogen niet met te veel licht. Die reflex werkt op allebei de ogen tegelijk, dus als je maar in één oog schijnt, wordt de andere pupil automatisch kleiner. 
Je hersenen beschermen je ogen ook tegen gevaar dat je niet kunt zien. Als je hard in je handen klapt (of er knalt een ballon), dan zal je proefpersoon even knipperen. Zo zorg je ervoor dat je niets in je ogen krijgt als er iets knalt!

dinsdag 21 mei 2013

Experiment: Bouw een Atlatl (katapult)!

Wetenschappers hebben ontdekt dat mensen al 90.000 jaar geleden jaagden met een speer. Jagen met een speer zorgde ervoor dat mensen niet dichtbij gevaarlijke dieren hoefden te komen om te jagen. De speer is een belangrijke uitvinding van de oermens geweest en er is in al die tijd heel veel aan verbeterd!
Je kunt een speer gebruiken om te gooien, maar je kunt hem ook afschieten! Het bekendste voorbeeld daarvan is een atlatl. Dat is een speer die gegooid werd met hulp van een andere stok. Eigenlijk is dit de eerste versie van een katapult.
atlatl

Je kunt zelf een atlatl maken, maar speerwerpen kan gevaarlijk zijn. Daarom maken we een veilige versie van dit werptuig.

Dit heb je nodig:
- bezemsteel
- oude tennisbal
- duct tape
- pollepel of opscheplepel
- grote open testruimte (buiten)

Dit moet je doen:
Stap 1: Maak met duct-tape de pollepel vast aan de bezemsteel
Stap 2: Test je nul-afstand: gooi de tennisbal zo ver mogelijk en onthoud waar hij landt. Die afstand is je basis. Nu ga je kijken of je verder kunt gooien met je werptuig.
Stap 3: leg de tennisbal in de kom van de pollepel. Probeer nu de tennisbal te gooien door een grote zwaai te maken met de bezemsteel. Let op dat er niemand in de buurt is die je kunt raken!

Zo werkt het:
Stel je voor dat je arm een spaak is in een wiel. De buitenkant van het wiel beweegt sneller dan de spaak dichtbij de as (je schouder). Daarom gebruik je de hele lengte van je arm om te gooien. Als je de werpstok gebruikt, is de spaak nog langer. Als je net zo snel beweegt, gaat de buitenkant van het wiel sneller, want die legt een grotere afstand af.

woensdag 15 mei 2013

Experiment: hoeveel woorden kun je onthouden?

Wetenschappers hebben onderzocht dat er zo'n 23 woorden zijn die al 15.000 jaar of langer bestaan! De woorden worden over de hele wereld gebruikt en klinken overal ongeveer hetzelfde. De wetenschappers hebben bekeken of er woorden zijn die vaak gebruikt worden in verschillende talen en of die op elkaar lijken.


Meestal veranderen woorden zo snel dat na 5.000 jaar niet meer terug te vinden is waar het vandaan komt. De uitspraak of spelling van woorden verandert en sommige woorden worden niet meer gebruikt. Sommige woorden worden alleen in kleine gebieden gebruikt, in een dialect. Daarom is het heel bijzonder dat ze deze lijst hebben kunnen maken.

De 'oude' woorden zijn:

  • jou
  • ik
  • niet
  • dat
  • wij
  • geven
  • wie
  • dit
  • wat
  • man
  • je
  • oud
  • moeder
  • horen
  • hand
  • vuur
  • bast
  • as
  • spugen
  • worm
  • zwart
  • trekken
  • vloeien
Je kunt zelf proberen hoe goed je sommige woorden onthoudt met het volgende experiment.

Dit heb je nodig:
  • woordenboek Nederlands
  • woordenboek vreemde taal
  • pen en papier
  • zo veel mogelijk proefpersonen
Dit moet je doen:
Stap 1: kies vijf nederlandse woorden uit het woordenboek, het liefst woorden die je niet zo vaak gebruikt. Schrijf ze op een briefje, zodat je ze later kunt controleren.
Stap 2: Vertel de vijf woorden aan één proefpersoon, zonder dat de anderen het kunnen horen. Die proefpersoon vertelt het weer aan één ander, enzovoort. Ga door tot iedereen de woorden gehoord heeft.
Stap 3: Controleer of de laatste proefpersoon alle woorden goed heeft en goed uitspreekt.

Stap 4: Doe nu stap 1, 2 en 3 met vijf buitenlandse woorden. Gaat dit beter of slechter?

Stap 5: Zoek in het buitenlandse woordenboek vijf woorden uit de lijst die hier boven staat. Doe weer stap 1, 2 en 3 met de buitenlandse namen van die woorden. Gaat dat beter?

Zo werkt het:
Je hersenen hebben een enorme lijst van dingen die je al weet. Bij een woord dat je kent, zoals 'boom', denk je meteen aan bladeren, een stam, vogels die erin zitten, schaduw als de zon schijnt enzovoort. Daardoor kun je die woorden beter onthouden dan vreemde woorden. Als het goed is, kun je de buitenlandse woorden uit de lijst beter onthouden dan andere vreemde woorden, omdat ze 15.000 jaar geleden uit hetzelfde woord zijn ontstaan.

dinsdag 7 mei 2013

Experiment: moederdagbloemen!

Moederdag komt eraan! Je moet dus zorgen dat je op tijd een kadootje hebt en bloemen doen het altijd goed. Een mooie gekleurde bos staat natuurlijk heel fraai, maar een bosje witte bloemen is goedkoper. De kleur kun je dan zelf eenvoudig kiezen.


Dit heb je nodig:

  • een bos witte bloemen (vers!)
  • mesje of schaar
  • vaas
  • water
  • kleurstof (voedselkleurstof van de taartafdeling in de supermarkt)
Dit moet je doen:
Stap 1: knip of snij de bloemen schuin af aan de onderkant van de steel. Vraag een volwassene om je hiermee te helpen. Je kunt de stelen het best onder water afsnijden, anders kunnen er luchtbelletjes in de stelen komen en dan werkt het niet.
Stap 2: Doe water in de vaas en voeg er een beetje kleurstof aan toe tot het een mooie kleur heeft. Zet de bloemen erin en wacht tot ze verkleurd zijn. Je kunt deze stap met verschillende kleuren voor verschillende bloemen doen.
Stap 3: Zet de gekleurde bloemen bij elkaar in een vaas en geef ze op zondag aan je moeder! 

Zo werkt het:
Er zijn verschillende systemen die het water door de bloem vervoeren. In de blaadjes verdampt water, waardoor het door een soort vatensysteem (het xyleem) omhoog gezogen wordt. De zwaartekracht trekt er wel aan, maar water maakt gebruik van capillaire werking. Dat betekent dat het tegelijkertijd bij elkaar wil blijven en in het xyleem wil blijven plakken. De verdamping zorgt ervoor dat aan de bovenkant water verdwijnt, net als wanneer je aan een rietje zuigt. De kleuren in het water verdampen niet, die blijven achter in de bloemblaadjes.
Wil je eens creatief doen? Kijk maar eens wat er gebeurt als je een bloem eerst in de ene kleurstof zet en daarna in de andere. Of snijd een steel in de lengte doormidden en zet de helften in verschillende kleuren water. Veel plezier!